Taal onderwijs en ontwikkeling
Medewerkers deel je voor een groepstaaltraining niet alleen in op basis van hun algemene taalniveau. Ook de leerdoelen, functie, taalvaardigheden, het leertempo en de praktische beschikbaarheid spelen een rol.
Een passende groepsindeling zorgt ervoor dat deelnemers met vergelijkbare behoeften samen kunnen oefenen. Zijn de verschillen te groot, dan wordt het lastig om een tempo en lesinhoud te kiezen die voor iedereen bruikbaar zijn.
Daarom begint een groepstraject meestal met een individuele intake en niveaubepaling.
In een groep leren medewerkers niet alleen van de trainer, maar ook van elkaar. Ze oefenen gesprekken, bespreken praktijksituaties en geven samen betekenis aan nieuwe woorden en zinnen.
Dat werkt het best wanneer deelnemers voldoende bij elkaar passen. Een kleine variatie binnen de groep hoeft geen probleem te zijn. Grote verschillen kunnen het leerproces wel verstoren.
Bij een minder passende groepsindeling kan het gebeuren dat:
Een zorgvuldige indeling helpt om de beschikbare lestijd gericht te gebruiken.
Een groepsindeling begint niet met het aantal beschikbare plaatsen, maar met informatie over de deelnemers.
Tijdens een intake wordt besproken hoe een medewerker taal gebruikt, welke situaties lastig zijn en welke ontwikkeling nodig is voor het werk.
Daarbij kan worden gekeken naar:
Door iedere medewerker afzonderlijk te bekijken, ontstaat een vollediger beeld dan wanneer een heel team vooraf als één groep wordt aangemeld.
Het taalniveau is een belangrijk uitgangspunt voor de groepsindeling. Deelnemers moeten de uitleg en oefeningen kunnen volgen en voldoende ruimte krijgen om zelf taal te gebruiken.
Taalniveaus worden vaak aangeduid met A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Binnen één niveau kunnen echter nog verschillen bestaan.
Een medewerker kan bijvoorbeeld mondeling redelijk zelfstandig communiceren, maar bij lezen of schrijven meer ondersteuning nodig hebben. Daarom is alleen één niveauaanduiding niet altijd voldoende.
In de blog over het bepalen van het taalniveau van medewerkers lees je hoe verschillende taalvaardigheden samen een taalprofiel vormen.
Twee medewerkers kunnen allebei een algemeen niveau van A2 hebben en toch andere ondersteuning nodig hebben.
De ene deelnemer begrijpt mondelinge instructies goed, maar vindt het lastig om zelf vragen te stellen. Een andere deelnemer spreekt gemakkelijk, maar heeft moeite met formulieren en schriftelijke werkafspraken.
Bij de groepsindeling wordt daarom gekeken naar de vaardigheden die tijdens de training centraal staan.
Wanneer de training vooral gericht is op mondelinge communicatie, is het belangrijk dat deelnemers gesprekken op ongeveer hetzelfde niveau kunnen voeren.
Grote verschillen in spreekvaardigheid kunnen ervoor zorgen dat sommige deelnemers het gesprek domineren en anderen weinig aan bod komen.
Bij een training rond e-mails, rapportages, werkbonnen of formulieren moet ook het schriftelijke niveau voldoende bij elkaar passen.
Een medewerker die nog losse woorden leert schrijven, heeft andere oefeningen nodig dan iemand die al volledige zakelijke e-mails opstelt.
Een vergelijkbaar taalniveau betekent niet automatisch dat medewerkers dezelfde training nodig hebben.
Een teamleider die duidelijker instructies wil geven, heeft andere leerdoelen dan een productiemedewerker die instructies beter moet begrijpen. Ook wanneer zij ongeveer hetzelfde taalniveau hebben.
Voorbeelden van leerdoelen die goed binnen één groep gecombineerd kunnen worden zijn:
Hoe meer overlap er tussen de leerdoelen bestaat, hoe makkelijker het is om gezamenlijke oefeningen te gebruiken.
Medewerkers uit dezelfde organisatie gebruiken taal niet altijd op dezelfde manier.
Een medewerker in het magazijn werkt mogelijk met scanners, laadlijsten en mondelinge instructies. Een administratief medewerker gebruikt vaker e-mail, systemen en telefonisch contact.
Medewerkers met vergelijkbare functies kunnen vaak goed samen trainen. Zij herkennen dezelfde documenten, vakwoorden en communicatiesituaties.
Toch hoeven deelnemers niet altijd op dezelfde afdeling te werken. Wanneer hun taalniveau en leerdoelen aansluiten, kan een gemengde groep juist waardevol zijn.
Dat kan, maar het is niet in iedere situatie passend.
Leidinggevenden gebruiken taal vaak voor het geven van instructies, feedback en uitleg. Andere medewerkers moeten deze informatie vooral begrijpen, vragen stellen en terugkoppeling geven.
De leerdoelen kunnen elkaar aanvullen, bijvoorbeeld bij het oefenen van een werkoverleg. Tegelijkertijd kan de onderlinge verhouding invloed hebben op hoe vrij deelnemers durven te spreken en fouten durven te maken.
Daarom wordt per organisatie bekeken of een gezamenlijke groep prettig en leerzaam is.
Er bestaat geen vaste grens die voor iedere taaltraining geldt. Het hangt af van de vaardigheden, leerdoelen en opbouw van het traject.
Een beperkt verschil kan soms goed worden opgevangen met verschillende opdrachten binnen dezelfde les. De ene deelnemer schrijft bijvoorbeeld korte zinnen, terwijl een ander een uitgebreidere tekst maakt.
Wanneer deelnemers structureel andere uitleg, oefeningen en ondersteuning nodig hebben, ligt een aparte groep meer voor de hand.
Het verschil tussen A2 en B1 kan op de werkvloer al duidelijk merkbaar zijn. In de blog over het verschil tussen A2 en B1 Nederlands lees je wat medewerkers doorgaans op deze niveaus kunnen.
De passende groepsgrootte hangt af van het doel van de training en de hoeveelheid begeleiding die deelnemers nodig hebben.
Bij mondelinge taaltraining moet iedere deelnemer voldoende gelegenheid krijgen om te spreken. In een grotere groep vraagt dit om een andere lesopbouw dan in een kleine groep.
Bij het bepalen van de groepsgrootte wordt onder meer gekeken naar:
Het doel is niet om zo veel mogelijk medewerkers in één groep te plaatsen, maar om een werkbare leersituatie te creëren.
Een inhoudelijk passende groep moet ook praktisch uitvoerbaar zijn. Bij ploegendiensten, wisselende roosters of verschillende locaties kan dit extra aandacht vragen.
Het is verleidelijk om medewerkers alleen op beschikbaarheid te groeperen. Daardoor kunnen echter groepen ontstaan met grote verschillen in niveau en leerbehoefte.
Een goede planning zoekt daarom naar een combinatie van inhoudelijke en praktische passendheid.
Bij een incompany taaltraining kunnen lestijden in overleg worden afgestemd op roosters, werkzaamheden en beschikbare locaties.
Een groepstraject is niet voor iedere medewerker de beste keuze.
Een individuele training kan passend zijn wanneer:
Op de pagina over online privé taaltrainingen lees je hoe een individueel traject kan worden ingericht.
Een groepsindeling wordt vooraf zo zorgvuldig mogelijk gemaakt. Toch kan tijdens de lessen blijken dat een deelnemer sneller of langzamer vooruitgaat dan verwacht.
Ook kunnen leerdoelen veranderen wanneer iemand een andere functie krijgt of nieuwe werkzaamheden gaat uitvoeren.
Daarom is het belangrijk om de voortgang te volgen. Wanneer verschillen binnen een groep te groot worden, kan in overleg worden bekeken of een aanpassing nodig is.
Werkdocumenten en herkenbare situaties geven extra informatie over de taal die medewerkers nodig hebben.
Denk aan een veiligheidsinstructie, werkbon, planning, klantmail, overdrachtsformulier of bericht in een intern systeem.
Wanneer meerdere medewerkers met vergelijkbare materialen werken, kunnen deze een gezamenlijke basis voor de lessen vormen.
De blog over lesmateriaal met documenten uit de eigen organisatie legt uit hoe zulke materialen in een taaltraining kunnen worden gebruikt.
Werkgevers hoeven medewerkers niet zelf definitief in groepen te verdelen. Wel kunnen zij vooraf informatie verzamelen die helpt bij de intake en planning.
Een praktische voorbereiding bestaat uit:
Daarna kan op basis van de uitkomsten worden bepaald welke medewerkers inhoudelijk en praktisch bij elkaar passen.
Nee. Een beperkt niveauverschil hoeft geen probleem te zijn. De deelnemers moeten de gezamenlijke uitleg en oefeningen wel kunnen volgen en vergelijkbare leerdoelen hebben.
Ja. Dat kan wanneer hun taalniveau en leerdoelen voldoende overeenkomen. Bij sterk verschillende werksituaties kan een aparte groep praktischer zijn.
Een niveautoets geeft belangrijke informatie, maar vertelt niet alles. De functie, taalvaardigheden, leerdoelen en communicatiesituaties moeten ook worden meegenomen.
Dan kan worden bekeken of een andere groep, aanvullende begeleiding of een individuele taaltraining beter aansluit. Dit gebeurt op basis van de situatie en in overleg.
Bij grote niveauverschillen is dat meestal niet praktisch. Beginners en gevorderden hebben vaak andere uitleg, oefeningen en leerdoelen nodig.
Een goede groepsindeling ontstaat door taalniveau, leerdoelen, functie, taalvaardigheden en planning samen te bekijken.
Deelnemers hoeven niet precies hetzelfde te zijn, maar moeten voldoende overlap hebben om samen te kunnen oefenen en vooruitgang te boeken.
Daarom begint een groepstaaltraining bij voorkeur met een individuele intake en niveaubepaling. Op de pagina over taaltraining op locatie lees je hoe een groepstraject binnen de organisatie praktisch kan worden georganiseerd.