Taal onderwijs en ontwikkeling
Een medewerker kan veel Nederlands begrijpen en toch moeite hebben om zelf te spreken. Bijvoorbeeld tijdens werkoverleg, bij het stellen van een vraag of wanneer een probleem moet worden uitgelegd.
Spreekvaardigheid verbeteren betekent daarom niet alleen meer woorden leren. Medewerkers moeten vooral oefenen met gesprekken die zij tijdens hun werk daadwerkelijk voeren.
Welke spreekvaardigheid nodig is, verschilt per functie. Daarom begint een taaltraining met kijken naar het taalniveau, de werkzaamheden en de situaties waarin iemand mondeling moet communiceren.
Spreekvaardigheid is het vermogen om jezelf mondeling duidelijk te maken. Op de werkvloer gaat het daarbij meestal niet om lange of ingewikkelde gesprekken.
Het zijn vaak juist korte momenten waarop een medewerker snel moet kunnen reageren.
Denk aan:
Welke situaties belangrijk zijn, hangt af van de functie. Een logistiek medewerker voert andere gesprekken dan een zorgmedewerker, planner of teamleider.
Het komt regelmatig voor dat een medewerker meer begrijpt dan hij of zij zelf kan zeggen.
Bij luisteren krijgt iemand taal aangeboden en kan de context helpen om de betekenis te begrijpen. Tijdens een gesprek moet iemand zelf woorden kiezen, zinnen maken en tegelijkertijd reageren op de ander.
Dat vraagt meer van de taalvaardigheid.
Ook onzekerheid kan meespelen. Een medewerker kan het antwoord weten, maar weinig zeggen uit angst om fouten te maken of omdat collega’s snel spreken.
Daarom zegt weinig spreken niet automatisch dat iemand weinig Nederlands begrijpt. Een niveaubepaling van medewerkers kijkt breder dan alleen naar wat iemand tijdens een kort gesprek laat horen.
Een praktische taaltraining begint niet met willekeurige gespreksonderwerpen. Eerst wordt bekeken welke gesprekken binnen de functie regelmatig voorkomen.
Een productiemedewerker moet bijvoorbeeld kunnen aangeven dat een machine niet goed werkt. Een logistiek medewerker moet een afwijking kunnen melden bij een order. In de zorg kan het juist gaan om vragen stellen aan een cliënt of informatie overdragen aan een collega.
Door zulke situaties vooraf in kaart te brengen, worden de leerdoelen concreter.
Een doel als ‘beter Nederlands spreken’ is erg breed. Het maakt niet duidelijk wanneer een training resultaat heeft.
Een concreter doel is bijvoorbeeld:
Met zulke doelen kan tijdens de training veel gerichter worden geoefend.
Woordenschat is belangrijk, maar alleen woorden leren is niet voldoende om gemakkelijker te gaan spreken.
Een medewerker kan bijvoorbeeld weten wat de woorden ‘planning’, ‘vertraging’ en ‘levering’ betekenen, maar nog steeds moeite hebben om uit te leggen dat een levering later komt.
Daarom is het nuttig om woorden direct in zinnen en gesprekken te gebruiken.
In plaats van alleen een woordenlijst te oefenen, kan een deelnemer bijvoorbeeld leren zeggen:
De levering is vertraagd. We verwachten de chauffeur om drie uur.
Zo wordt nieuwe woordenschat gekoppeld aan een situatie waarin de medewerker de taal nodig heeft.
Op het werk komen bepaalde communicatiesituaties vaak terug. Daarvoor kunnen vaste zinnen een goed startpunt zijn.
Denk aan vragen zoals:
Het doel is niet dat medewerkers alleen zinnen uit het hoofd leren. De zinnen geven houvast waarmee vervolgens gevarieerd kan worden.
Naarmate de taalvaardigheid groeit, kan een medewerker dezelfde boodschap steeds zelfstandiger formuleren.
Gesprekken oefenen hoort bij spreekvaardigheid. Een rollenspel heeft vooral waarde wanneer de situatie herkenbaar is voor de deelnemer.
Een algemeen gesprek over een willekeurig onderwerp kan taal oefenen, maar sluit niet altijd aan op wat iemand tijdens het werk moet kunnen.
Een praktijksituatie kan bijvoorbeeld zijn:
De trainer kan de moeilijkheid aanpassen aan het taalniveau. Een beginner werkt met korte vragen en antwoorden. Een deelnemer op een hoger niveau kan leren uitgebreider uitleg te geven, door te vragen of een standpunt toe te lichten.
Wanneer iemand Nederlands nog aan het leren is, kan het langer duren voordat een antwoord komt.
Collega’s vullen zo’n antwoord soms snel aan of nemen het gesprek over. Dat is vaak goed bedoeld, maar daardoor krijgt de medewerker minder gelegenheid om zelf te spreken.
Een paar seconden extra ruimte kan al helpen.
Ook tijdens een taaltraining is het belangrijk dat deelnemers veel zelf aan het woord zijn. Spreekvaardigheid ontwikkelt zich door taal actief te gebruiken en niet alleen door uitleg te krijgen.
Een taaltraining bestaat uit lesmomenten, maar de werkvloer biedt iedere dag mogelijkheden om verder te oefenen.
Dat hoeft niet ingewikkeld te worden georganiseerd.
Een medewerker kan bijvoorbeeld bewust oefenen met:
Kleine, terugkerende oefenmomenten maken het gemakkelijker om wat tijdens de les wordt geleerd ook daadwerkelijk te gebruiken.
De omgeving heeft invloed op hoeveel iemand durft en kan spreken.
Collega’s hoeven daarbij geen taaldocent te worden. Ze kunnen wel helpen door duidelijk te spreken, niet meerdere instructies tegelijk te geven en ruimte te laten voor vragen.
Het helpt ook om te controleren of een boodschap goed is begrepen zonder alleen te vragen: ‘Begrijp je het?’
Vraag bijvoorbeeld of de medewerker in eigen woorden kan vertellen wat de volgende stap is. Daarmee wordt sneller duidelijk of de communicatie goed is overgekomen.
Bij Nederlands op de werkvloer wordt juist gekeken naar dit soort dagelijkse situaties waarin medewerkers taal moeten begrijpen én gebruiken.
Niet iedere medewerker kan dezelfde spreekoefeningen doen. Het taalniveau bepaalt hoeveel taal iemand zelfstandig kan gebruiken.
De nadruk kan liggen op korte, herkenbare zinnen. Bijvoorbeeld jezelf voorstellen, een eenvoudige vraag stellen, iets aanwijzen of aangeven dat je iets niet begrijpt.
Herhaling speelt hierbij een grote rol.
Een medewerker kan oefenen met korte gesprekken over bekende werkzaamheden. Denk aan vertellen wat er is gedaan, informatie vragen of een eenvoudig probleem bespreken.
De gesprekken kunnen uitgebreider worden. Bijvoorbeeld deelnemen aan overleg, een keuze uitleggen, feedback geven of een klantgesprek voeren.
Wie meer wil weten over de verschillende niveaus kan de uitleg over taalniveaus A1 tot en met C2 bekijken.
Vooruitgang is niet alleen zichtbaar in een hoger taalniveau.
Bij werkgerichte spreekvaardigheid kun je ook kijken naar wat iemand inmiddels zelfstandig kan doen.
Stelt een medewerker vaker zelf vragen? Kan hij een probleem duidelijker uitleggen? Heeft zij minder hulp nodig tijdens een overdracht? Kan iemand langer deelnemen aan een gesprek zonder terug te vallen op een andere taal?
Dat zijn praktische signalen van ontwikkeling.
Daarom worden bij een taaltraject niet alleen het startniveau, maar ook de functie en de leerdoelen meegenomen. Taalontwikkeling moet uiteindelijk bruikbaar zijn in de situaties waarvoor iemand de taal nodig heeft.
Een training kan passend zijn wanneer medewerkers voldoende begrijpen om hun werk te doen, maar mondelinge communicatie regelmatig lastig blijft.
Ook wanneer iemand een volgende stap in functie of verantwoordelijkheid maakt, kan meer spreekvaardigheid nodig worden. Denk aan medewerkers die vaker moeten overleggen, klanten spreken of collega’s aansturen.
Voor meerdere medewerkers met vergelijkbare leerdoelen kan een incompany taaltraining passend zijn. Wanneer één medewerker een heel specifieke taalvraag heeft, kan individuele begeleiding beter aansluiten.
Dat verschilt per medewerker. Het startniveau, de hoeveelheid oefening, de moeilijkheid van de werksituaties en het contact met de taal buiten de lessen spelen allemaal mee.
Nee. Een medewerker hoeft niet foutloos te spreken om duidelijk te kunnen communiceren. Tijdens het oefenen kunnen grammatica en woordenschat stap voor stap verder worden ontwikkeld.
Veel contact met het Nederlands kan helpen, maar alleen blootstelling aan de taal is niet altijd voldoende. Gerichte uitleg en oefening kunnen nodig zijn wanneer dezelfde problemen blijven terugkomen.
Ja, maar spreken staat vaak in verbinding met luisteren en woordenschat. Om goed te reageren in een gesprek moet een medewerker immers ook begrijpen wat de ander zegt.
Beter leren spreken op het werk begint met concrete situaties. Welke gesprekken voert een medewerker, waar loopt iemand vast en wat moet hij of zij uiteindelijk zelfstandig kunnen zeggen?
Door taalniveau, functie en praktijksituaties met elkaar te verbinden, wordt duidelijk waar tijdens een training op geoefend kan worden.
Wil je de mondelinge communicatie van medewerkers verbeteren? Bekijk de mogelijkheden voor taaltraining Nederlands of bespreek met Taalon welke situaties binnen jullie organisatie aandacht vragen.