Taal onderwijs en ontwikkeling

Taaltraining voor anderstalige medewerkers waar begin je als werkgever

Steeds meer organisaties werken met medewerkers voor wie Nederlands niet de eerste taal is. Dat hoeft geen probleem te zijn. Op veel werkvloeren gaat samenwerken prima, ook als iemand de taal nog aan het leren is.

Toch kan taal op een bepaald moment een aandachtspunt worden. Bijvoorbeeld als werkinstructies niet goed worden begrepen. Of als medewerkers moeite hebben met formulieren, veiligheidsafspraken, klantcontact of werkoverleg.

Een taaltraining voor anderstalige medewerkers kan dan helpen. Niet als algemene taalles los van het werk, maar als praktische training die aansluit op de dagelijkse werkzaamheden.

Waarom taaltraining voor anderstalige medewerkers belangrijk is

Taal is nodig om goed mee te kunnen doen op het werk. Medewerkers moeten begrijpen wat er van hen wordt verwacht. Ze moeten vragen kunnen stellen. Ze moeten afspraken kunnen maken en informatie kunnen teruggeven.

Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk komt er veel taal bij kijken.

Denk aan:

  • werkinstructies lezen en begrijpen
  • veiligheidsregels toepassen
  • werkbonnen of formulieren invullen
  • korte berichten schrijven
  • meedoen aan werkoverleg
  • vragen stellen aan collega’s of leidinggevenden
  • klanten of leveranciers te woord staan

Als taal lastig is, kan dat zorgen voor misverstanden. Soms wordt een opdracht verkeerd begrepen. Soms durft iemand geen vraag te stellen. Soms blijft informatie hangen bij één collega, omdat die steeds moet vertalen of uitleggen.

Een taaltraining maakt taal concreet. De training richt zich op wat medewerkers nodig hebben om hun werk beter te doen.

Begin met de situatie op de werkvloer

Een goede taaltraining begint niet met een lesboek. Het begint met de vraag wat er op de werkvloer gebeurt.

Waar lopen medewerkers tegenaan? Welke taal hebben zij nodig? Welke situaties komen vaak terug? En wat verwacht de organisatie van medewerkers in hun functie?

Voor de ene medewerker ligt de nadruk op spreken en luisteren. Bijvoorbeeld omdat hij veel overlegt met collega’s. Voor een andere medewerker is lezen belangrijker. Bijvoorbeeld bij werkinstructies, planningen of veiligheidsinformatie.

Ook schrijven kan belangrijk zijn. Denk aan korte rapportages, overdrachten, e-mails of meldingen in een systeem.

Door eerst naar het werk te kijken, wordt duidelijk welke taal echt nodig is. Dat voorkomt dat een training te algemeen wordt.

Bepaal het taalniveau van de medewerker

Niet iedere anderstalige medewerker heeft hetzelfde taalniveau. De ene medewerker spreekt al behoorlijk Nederlands, maar schrijft weinig. Een andere medewerker begrijpt veel, maar durft nog niet goed te praten. Weer iemand anders begint bijna vanaf nul.

Daarom is een intake en niveaubepaling belangrijk. Daarmee wordt duidelijk waar iemand staat en wat een passende vervolgstap is.

Het taalniveau wordt vaak gekoppeld aan het Europees Referentiekader. Denk aan niveaus zoals A1, A2 en B1. Voor de werkvloer is vooral belangrijk wat iemand op dat niveau kan doen.

Kan de medewerker eenvoudige instructies begrijpen? Kan hij korte vragen stellen? Kan hij een bericht lezen? Kan hij uitleggen wat er is gebeurd? Dat zijn praktische vragen die helpen om de training goed in te richten.

Kies leerdoelen die passen bij de functie

Een taaltraining voor anderstalige medewerkers werkt het beste als de leerdoelen passen bij de functie. Een medewerker in de productie heeft andere taal nodig dan iemand in de zorg, logistiek, schoonmaak, techniek of klantenservice.

Daarom is het belangrijk om leerdoelen concreet te maken.

Bijvoorbeeld:

  • de medewerker begrijpt korte werkinstructies
  • de medewerker kan vragen stellen als iets onduidelijk is
  • de medewerker kan veiligheidsafspraken benoemen
  • de medewerker kan een werkbon lezen en invullen
  • de medewerker kan een korte e-mail schrijven
  • de medewerker kan meedoen aan een kort werkoverleg
  • de medewerker kan een klant netjes te woord staan

Dit soort doelen zijn duidelijk voor de medewerker, de trainer en de organisatie. Iedereen weet waar de training naartoe werkt.

Gebruik taal uit het dagelijks werk

Voor anderstalige medewerkers is herkenning belangrijk. Taal blijft beter hangen als de voorbeelden uit het eigen werk komen.

Gebruik daarom geen losse zinnen die weinig met de praktijk te maken hebben. Werk liever met echte situaties die medewerkers dagelijks tegenkomen.

Denk aan:

  • een werkinstructie bespreken
  • een formulier invullen
  • een planning lezen
  • een veiligheidsafspraak oefenen
  • een melding maken
  • een klantgesprek oefenen
  • een korte overdracht geven aan een collega

Zo wordt de training direct bruikbaar. Medewerkers leren taal die zij dezelfde week nog kunnen gebruiken.

Maak ruimte voor spreken en vragen stellen

Veel anderstalige medewerkers begrijpen meer dan ze zelf zeggen. Toch kan spreken spannend zijn. Zeker als collega’s snel praten of als iemand bang is om fouten te maken.

Daarom is het belangrijk om in de training veel te oefenen met spreken.

Niet met lange presentaties, maar met korte zinnen die passen bij het werk.

Bijvoorbeeld:

  • “Kunt u dat nog een keer uitleggen?”
  • “Ik begrijp dit woord niet.”
  • “Moet ik dit vandaag doen?”
  • “Waar kan ik dit vinden?”
  • “Ik heb hulp nodig bij dit formulier.”
  • “Deze machine werkt niet goed.”

Dit zijn eenvoudige zinnen, maar ze maken een groot verschil in de praktijk. Ze helpen medewerkers om actief mee te doen en niet te blijven wachten als iets onduidelijk is.

Betrek leidinggevenden en collega’s

Een taaltraining staat niet los van de werkvloer. Medewerkers leren in de les, maar oefenen vooral op het werk.

Daarom helpt het als leidinggevenden en collega’s weten waar de medewerker mee bezig is. Zij kunnen taalgebruik ondersteunen door duidelijk te spreken, korte zinnen te gebruiken en ruimte te geven voor vragen.

Dat betekent niet dat het werk langzamer moet. Het betekent wel dat communicatie bewust wordt ingezet.

Bijvoorbeeld door:

  • belangrijke afspraken kort samen te vatten
  • nieuwe woorden op de werkvloer te herhalen
  • te controleren of een instructie goed begrepen is
  • medewerkers aan te moedigen om vragen te stellen
  • voorbeelden uit het werk mee te nemen naar de training

Zo wordt taalontwikkeling onderdeel van het werk. Niet alleen iets van de les.

Denk goed na over de vorm van de training

Niet iedere situatie vraagt om dezelfde vorm. Soms past een incompany taaltraining goed. Bijvoorbeeld als meerdere medewerkers binnen dezelfde organisatie of afdeling taalondersteuning nodig hebben.

Bij een incompany training kan de lesstof goed worden afgestemd op de sector, functie en werkpraktijk. Medewerkers oefenen dan met situaties die zij herkennen.

In andere gevallen past een online privé taaltraining beter. Bijvoorbeeld als het om één medewerker gaat, als de leerdoelen heel specifiek zijn of als flexibiliteit belangrijk is.

Ook een online groepstraining kan passend zijn, afhankelijk van het niveau, het rooster en de doelen.

De juiste vorm hangt af van de medewerker, de organisatie en de praktijk op de werkvloer.

Veelvoorkomende fouten bij taaltraining

Organisaties starten vaak met goede bedoelingen. Toch zijn er een paar valkuilen die regelmatig voorkomen.

Te algemeen beginnen

Een algemene taalcursus kan nuttig zijn, maar sluit niet altijd aan op het werk. Medewerkers leren dan woorden en zinnen die zij weinig gebruiken in hun functie.

Voor taal op de werkvloer is het beter om praktijkgericht te starten.

Iedereen in dezelfde groep plaatsen

Als taalniveaus te ver uit elkaar liggen, wordt leren lastig. De ene deelnemer vindt de les te makkelijk. De andere deelnemer kan het tempo niet volgen.

Een niveaubepaling helpt om deelnemers passend in te delen.

Alleen kijken naar spreken

Spreken is belangrijk, maar taal bestaat uit meer. Lezen, luisteren en schrijven spelen ook een grote rol op het werk.

Denk aan instructies begrijpen, formulieren invullen, berichten lezen en afspraken terugkoppelen.

Te weinig oefenen op het werk

Een medewerker leert niet alleen in de les. Oefenen op de werkvloer is belangrijk. Juist daar moet de taal gebruikt worden.

Daarom helpt het als de training aansluit op echte situaties.

Hoe Taalon hiermee omgaat

Bij Taalon starten taaltrajecten met een intake en niveaubepaling. Zo wordt duidelijk wat het taalniveau is en welke leerdoelen passen bij de medewerker en de functie.

Daarna wordt de training afgestemd op de praktijk. Waar mogelijk worden voorbeelden uit het werk gebruikt. Denk aan werkinstructies, werkbonnen, formulieren, rapportages, veiligheidsafspraken, korte e-mails en klantcommunicatie.

De lessen zijn praktijkgericht. Het doel is dat medewerkers taal niet alleen leren, maar vooral durven en kunnen gebruiken tijdens het werk.

Conclusie

Een taaltraining voor anderstalige medewerkers begint met goed kijken naar de praktijk. Welke taal heeft iemand nodig? Wat vraagt de functie? Waar ontstaan misverstanden? En welk taalniveau past bij de medewerker?

Door te starten met een intake, duidelijke leerdoelen en herkenbare werksituaties wordt taaltraining concreet en bruikbaar.

Voor werkgevers is dat belangrijk. Want betere taal op de werkvloer helpt bij samenwerking, veiligheid, klantcontact en dagelijkse communicatie.

Taalon ondersteunt organisaties met praktijkgerichte taaltrainingen die aansluiten op functie, niveau en werksituatie.

Taaladviseurs staan voor je klaar

Vrijblijvend advies over een taaltraject nodig?